Rechtbank Assen 24-09-2002, Prg. 2002, 5950, JAR 2002, 257


Hoger beroep ontbinding. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Wederzijds goedvinden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 257.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Emmen 24-10-2001, Prg. 2001, 5780, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 325). De werknemer, 39 jaar oud, is sinds 1982 bij de werkgever in dienst, laatstelijk als mobiele kraanmachinist tegen een salaris van NLG 6.128,03 per maand inclusief de vakantiebon. De werknemer heeft zich op 29 mei 2000 ziek gemeld met arbeidsgerelateerde klachten nadat de directeur hem had laten weten hem liever kwijt dan rijk te zijn. De Arbo-arts heeft de werknemer geadviseerd om een gesprek met de directeur aan te gaan. Hiervan is het echter niet gekomen. De werkgever heeft arbeidstherapie van de werknemer afgehouden. Wel heeft de werkgever de kosten van therapie van de werknemer vergoed. Op 26 januari 2001 heeft de werknemer de verzekeringsarts laten weten bezig te zijn met solliciteren naar een functie elders. Op 14 februari 2001 heeft de werknemer dit ook aan de arbeidsdeskundige verteld. Op 28 februari 2001 is de werknemer, op initiatief van de arbeidsdeskundige, bij zijn werkgever geweest. Deze heeft hem een andere functie aangeboden, welke de werknemer heeft afgewezen omdat hij liever naar een ander bedrijf ging. Op 5 juni 2001 is de werknemer elders in dienst getreden. Op 7 juni 2001 heeft hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding verzocht. De kantonrechter heeft de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt ook de rechtbank van mening te zijn dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. De werknemer was op het moment van indiening van het ontbindingsverzoek bovendien al elders in dienst getreden, terwijl het verzoek niet gericht was op beperking van de gevolgen van, en dus liggend na de ontbinding, maar op een vergoeding van eerder aangedaan leed. De situatie van de werknemer is niet vergelijkbaar met die van het arrest van de Hoge Raad van 22-10-1993 (NJ 1994, 106, JAR 1993, 260, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 208). Daarin was de indiensttreding bij een andere werkgever ingegeven uit de nood waarin de betrokkene was komen te verkeren, terwijl de oude werkgever schuldig was aan die nood. Hier is slechts tot op beperkte hoogte sprake van een dergelijke invloed van de werkgever en in grotere mate van een mede door toedoen van de werknemer vastgelopen verhouding met de directeur, waarin de werknemer zelf al vroegtijdig en daarna bij herhaling heeft gekozen voor de optie van een andere werkkring. De rechtbank bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter onder verbetering van de gronden.

Terug naar overzicht