Rechtbank Breda 05-03-2002, JAR 2002, 223


Aansprakelijkheid werkgever. Ongewenste intimiteiten.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 223.

De werkneemster, in dienst sinds 9 januari 1995 en sinds 1 augustus 1995 adjunct-directeur, heeft zich op 16 december 1997 ziek gemeld en op 21 april 1997 heeft zij bij de klachtencommissie een klacht ingediend over seksuele intimidatie door de directeur. De klachtencommissie heeft in haar rapport van 12 november 1997 geoordeeld dat de gedragingen van de directeur in de maanden mei en juni 1995 moeten worden aangemerkt als ongewenste intimiteiten. De werkgever heeft de werkneemster bericht dat zij de directeur ter verantwoording heeft geroepen, maar heeft verder laten weten dat uit feitenmateriaal dat naar boven is gekomen na het onderzoek van de klachtencommissie is gebleken dat ook de werkneemster een kwalijke rol in het geheel heeft gespeeld. De werkneemster stelt de directeur en de werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van de seksuele intimidatie. De directeur stelt dat er in elk geval over een bepaalde periode sprake is van een relatie tussen hem en de werkneemster. De rechtbank stelt vast dat er wel degelijk sprake is geweest van seksuele intimidatie. Niettemin wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding gericht tegen de directeur af omdat naar haar oordeel niet gebleken is dat de schade die de werkneemster stelt te hebben geleden - kosten fysiotherapie, inkomensschade, immateriële schade - het gevolg is van de seksuele intimidatie. De vordering ex art. 6:170 BW tegen de werkgever acht de rechtbank niet toewijsbaar omdat er onvoldoende functioneel verband is tussen de gedragingen van de directeur en de werkzaamheden. Het zich schuldig maken aan seksuele intimidatie staat, aldus de rechtbank, geheel los van de taakvervulling van de directeur. Met betrekking tot de vordering op grond van art. 7:658 BW oordeelt de rechtbank dat ook hier geldt dat geen voor vergoeding vatbare schade is geleden. Verder maakt het ontbreken van een preventief beleid ten aanzien van seksuele intimidatie de werkgever nog niet zonder meer aansprakelijk voor de gevolgen van seksuele intimidatie die zich voordoet. Gebleken is dat de werkneemster wist tot wie zij zich moest wenden met haar klacht, ondanks het ontbreken van beleid. Verder heeft de werkneemster niet gesteld welke maatregelen de werkgever had moeten nemen om haar te beschermen tegen de seksuele intimidatie. Tot slot heeft de werkgever weliswaar de klachtenprocedure niet correct afgerond door bij zijn eindoordeel nieuwe, aan de werkneemster niet bekende, stukken te betrekken, maar is niet gebleken dat hierdoor schade is ontstaan bij de werkneemster. Haar vordering is enkel gebaseerd op de seksuele intimidatie.

Terug naar overzicht