Rechtbank Rotterdam 28-04-2004, NJF 2004, 490


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever. Uitzendarbeid.

Twee matrozen in dienst van A worden uitgeleend aan B en door B tewerkgesteld op een bevoorradingsschip, eigendom van reder C. De kapitein van dit schip is in dienst van C en de eerste stuurman is in dienst van B. Een van de matrozen treedt later in dienst bij C. Beide matrozen overkomt een bedrijfsongeval als gevolg waarvan de ene, in dienst van C, overlijdt en de andere zwaargewond raakt. De kapitein en de eerste stuurman hebben schuld aan het ongeval, door de matrozen in een onveilige omgeving te hebben laten werken. Met betrekking tot de vraag of B als materieel werkgever aansprakelijk is jegens de matrozen, is de rechtbank van oordeel dat de enkele overeenkomst tot terbeschikkingstelling van de matrozen, die B met A heeft gesloten, niet wil zeggen dat B als hun materiële werkgever moet worden aangemerkt. Met betrekking tot de vraag of B als formeel werkgever van de eerste stuurman jegens de matrozen aansprakelijk is, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de eerste stuurman een fout heeft gemaakt en dat B dus op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat B wel degelijk zeggenschap over de eerste stuurman had. Een van de oorzaken van het ongeval was, dat de eerste stuurman de vereiste veiligheidsnormen niet in voldoende mate heeft toegepast. Het behoorde tot de taak van B zijn leidinggevend personeel adequaat te scholen ter bevordering van de veiligheid. Bovendien bestaat er tussen B en C wat de exploitatie van de schepen betreft een nauwe en duurzame band. A en B zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk jegens de matrozen en op grond van art. 6:10 BW heeft A regresrecht op B. Daaraan doet niet af dat de aansprakelijkheid van A op een andere wetsbepaling is gebaseerd dan de aansprakelijkheid van B.

Terug naar overzicht