Rechtbank Rotterdam 31-05-2002, JAR 2002, 150, JOR 2002, 171


Faillissement.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 150.

De werkgever, Plaid Nederland, is een 100% dochter van een Nederlandse vennootschap die, via twee andere vennootschappen, een 100% dochter is van Plaid US. De omzet van Plaid Nederland is in 2001 en het begin van 2002 sterk gedaald. Tussen Plaid Nederland en Plaid US is in het begin van 2002 uitvoerig overlegd over de vraag of Plaid Nederland zou kunnen worden gesaneerd of geherstructureerd. Onderhandelingen over overname door een ander bedrijf hebben niet tot resultaat geleid. Op 14 mei 2002 heeft Plaid Nederland haar eigen faillissement aangevraagd, hetgeen is verleend. Uit de bij de eigen aangifte gevoegde crediteurenlijsten blijkt dat Plaid US verreweg de grootste crediteur is, dat naar andere crediteuren diverse betalingen onderweg zijn en dat noch de fiscus, noch de werknemers noch het UWV vorderingen hebben op Plaid Nederland. Plaid US heeft besloten de financiering van de groepsvennootschappen te staken en heeft ook in Duitsland en Frankrijk faillissement aangevraagd. De rechtbank leidt uit deze feiten af dat de aanvraag tot faillietverklaring in nauw overleg en met uitdrukkelijke toestemming van Plaid US is gedaan. Voldoende aannemelijk is dat de door Plaid Nederland gestelde betalingsonmacht het directe gevolg is en aldus veroorzaakt is door het stopzetten van de financiering door Plaid US. Eveneens is voldoende aannemelijk geworden dat Plaid US thans doende is om de verkoop van haar producten in Europa op andere wijze te organiseren. Plaid US kan en mag daarbij echter niet voorbijgaan aan de belangen van de bij Plaid Nederland in dienst zijnde werknemers. Vast staat dat Plaid Nederland haar werknemers en de vakbonden niet op de hoogte heeft gesteld van de naderende faillissementsaanvraag en evenmin met hen heeft gesproken over maatregelen om het faillissement te voorkomen of over een sociaal plan. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat Plaid Nederland met het eigen faillissement de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemers heeft willen omzeilen en de reorganisatiekosten heeft willen beperken. Daarmee heeft zij misbruik gemaakt van haar bevoegdheid om faillissement aan te vragen. Het vonnis tot faillietverklaring moet daarom worden vernietigd. (Zie vervolg Hof 's-Gravenhage 09-07-2002, JAR 2002, 204, hiervoor).

Verder lezen
Terug naar overzicht