Rechtbank 's-Gravenhage 11-12-2002, NJkort 2003, 16, JAR 2003, 10


Gelijke behandeling. Minimumloon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 10.

Tot 1996 was het 13- en 14-jarigen niet toegestaan arbeid te verrichten. Dit verbod is versoepeld bij de per 1 januari 1996 in werking getreden Arbeidstijdenwet. Voor kinderen van 13 of 14 jaar geldt geen minimumloon. Voor werknemers van 15 jaar en ouder is dit wel het geval. De vakorganisaties hebben er herhaaldelijk op aangedrongen om ook voor 13- en 14-jarigen een minimumloon in te voeren, doch zonder resultaat. Thans stellen zij in rechte dat de Staat in strijd handelt met art. 7 ESH en art. 26 IVBPR door geen minimumloon vast te stellen. De Staat wil hier niet toe overgaan teneinde het werken door 13- en 14-jarigen niet aan te moedigen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de versoepeling van de regeling in de Arbeidstijdenwet voor 13- en 14-jarigen aangemerkt te worden als een invulling van de in art. 7 lid 1 (slot) ESH opgenomen mogelijkheid om ook kinderen onder de 15 jaar voor het verrichten van lichte werkzaamheden, die niet nadelig zijn voor hun gezondheid, geestelijk welzijn of ontwikkeling tot de arbeidsmarkt toe te laten. Uit art. 7 lid 5 ESH volgt vervolgens dat, als een lidstaat het verrichten van werk door jeugdigen toestaat, daarvoor ook een minimumloonregeling getroffen moet worden. De vraag is wel of de vakorganisaties zich jegens de Staat op deze verplichting kunnen beroepen. Deze vraag behoeft echter geen beantwoording, nu de vakorganisaties de verplichting in elk geval kunnen inroepen over de band van art. 26 IVBPR. De Staat maakt namelijk een ongerechtvaardigd onderscheid tussen 15-jarigen, voor wie wel een minimumloonregeling geldt, en 13- en 14-jarigen, hetgeen in strijd is met dit artikel. De aanzuigende werking die de Staat zegt te vrezen, dient naar het oordeel van de rechtbank op een andere wijze te worden ingedamd. Het niet regelen van een billijke beloning is hiervoor geen goed middel. Dit geldt temeer nu de Staat zelf het verbod op het werken door 13- en 14-jarigen heeft versoepeld. De Staat wordt daarom veroordeeld om binnen 18 maanden een minimumloon voor 13- en 14-jarigen vast te stellen.

Terug naar overzicht