Rechtbank 's-Gravenhage 14-05-2003, JOR 2003, 215


Faillissement.

Een werkgever wordt op eigen verzoek failliet verklaard, nadat de moedermaatschappij de zogenaamde 403-verklaring ten behoeve van de schuldeisers heeft ingetrokken. De werknemers stellen dat er sprake is van misbruik van faillissementsrecht, omdat de faillietverklaring hoofdzakelijk diende ter omzeiling van de arbeidsbescherming van de werknemers. Voorts stellen de werknemers dat de werkgever over een aanzienlijk banksaldo beschikte, hetgeen bij liquidatie buiten het faillissement had moeten worden gehouden voor een individuele afvloeiingsregel of een sociaal plan. De werkgever betwist het misbruik. De rechtbank stelt op grond van de overgelegde cijfers vast dat de werkgever reeds jaren verliesgevend was. Vaststaat dat op het moment van de faillissementsaanvrage er onvoldoende liquide middelen waren om de salarissen te kunnen betalen. De afgifte van de 403-verklaring door de moedermaatschappij, wil alleen maar zeggen dat de dochter niet meer aan bepaalde eisen behoefde te voldoen, zoals het publiceren van een jaarrekening. De beslissing tot afgifte respectievelijk intrekking van de 403-verklaring staat uitsluitend ter beoordeling van de moedermaatschappij. De rechtbank is het niet eens met de stelling dat het faillissement hoofdzakelijk is aangevraagd om de arbeidsbescherming van de werknemers te ontlopen, omdat de failliete dochter ten tijde van het intrekken van de 403-verklaring niet meer over middelen beschikte om de salarissen te betalen, laat staan een sociaal plan te financieren. Vaststaat dat de werkgever op het moment van het uitspreken van het faillissement verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen en niet kan worden gezegd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. De rechtbank wijst het verzoek tot vernietiging van het faillissement af.

Terug naar overzicht