Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-04-1999, JAR 1999, 190


Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Ziekte (geen reïntegratieplan vereist). Directeur. Schadeloosstelling (C=2).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 190.

Een werknemer wordt na overname van de onderneming, waarbij hij 13 jaar in dienst was, benoemd tot statutair directeur van deze onderneming. Daarbij wordt overeengekomen dat bij het bepalen van de duur van de arbeidsovereenkomst de duur voor de overname zal meetellen. Nadat de werknemer zich ziek heeft gemeld, wordt hij door de AVA ontheven uit zijn directeursfunctie. Vervolgens verzoekt de werkgever de rechtbank de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat de werknemer niet in staat zou zijn geweest behoorlijk leiding te geven en het bedrijfsresultaat tot negatief daalde. De werknemer betwist de ontbindingsgronden en beroept zich aanvankelijk op de niet-ontvankelijkheid van de werkgever wegens het niet overleggen van een reïntegratieplan. De werknemer (41 jaar, salaris NLG 11.250,-- bruto per maand, thans afgerond 14 jaar in dienst) verzoekt vervolgens eveneens ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 365.000,-- (C=2) en NLG 35.000,-- kosten outplacement. De rechtbank overweegt dat hoewel de werknemer het beroep op niet-ontvankelijkheid heeft ingetrokken, dit toch ambtshalve moet worden beoordeeld. Omdat ten tijde van het indienen van het verzoek (voor 1 januari 1999) geen reïntegratieplan vereist was, is de werkgever ontvankelijk. Aangezien de eis nu echter wel geldt, zou de werkgever alsnog een reïntegratieplan moeten inbrengen. Omdat beide partijen reïntegratie zinloos achten, kan het reïntegratieplan achterwege blijven, temeer daar de wetgever dit ook voor een dergelijk geval niet heeft beoogd. Bovendien heeft de werknemer zelf ontbinding verzocht en voor hem geldt niet de eis van een reïntegratieplan. Als gevolg van de verzoeken moet de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Niet zonder meer is aannemelijk dat de werknemer een onjuist personeelsbeleid respectievelijk financieel beleid heeft gevoerd. Het is dan ook redelijk dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding. De verzochte vergoeding van NLG 365.000,-- (bruto) acht de rechtbank billijk doch voor een vergoeding van de outplacementkosten is geen reden.

Terug naar overzicht