Rechtbank Zutphen 20-01-2000, JAR 2000, 40


Opzegtermijn (Fictieve). Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 40.

De arbeidsovereenkomst van een administrateur wordt bij beschikking van 31 maart 1999 ontbonden met ingang van 1 april 1999 met een vergoeding van NLG 75.000,-- bruto. De uitvoeringsinstelling stelt zich op het standpunt dat de door de kantonrechter toegekende vergoeding tot 1 augustus 1999 (het einde van de fictieve opzegtermijn) met loon dient te worden gelijk gesteld en de WW-uitkering dus eerst ingaat op 2 augustus 1999. De werknemer stelt dat ten art. XXI Flexwet (overgangsregeling voor werknemers van 45 jaar en ouder) en art. 7:672 lid 1 BW (de dag waartegen dient te worden opgezegd) voor de berekening van de fictieve opzegtermijn zijn gehanteerd. De rechtbank stelt vast dat art. 16 lid 3 WW voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn uitdrukkelijk en uitsluitend verwijst naar de termijn welke op grond van art. 7:672 BW bij opzegging in acht behoort te worden genomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de toepassing van art. 16 lid 3 WW uitsluitend laatstgenoemd artikel bepalend dient te zijn voor de berekening van de fictieve opzegtermijn. Hoewel de werknemer valt aan te merken als oudere werknemer, als bedoeld in art. XXI Flexwet, brengt het hier voor overwogene met zich mee dat de in het kader van art. 16 lid 3 WW te berekenen fictieve opzegtermijn dient te worden vastgesteld aan de hand van uitsluitend het bepaalde in art. 7:672 BW. Bovendien dient in het kader van dit artikel niet tevens rekening te worden gehouden met de dag waartegen ingevolge het eerste lid van dit artikel opgezegd moet worden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit.

Terug naar overzicht