Rechtbank Zwolle 02-09-1998, JAR 1999, 26


Ziekte. Passende arbeid. Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 26.

Een leidster nachtdienst in een verblijf voor geestelijk gehandicapten wordt na twee jaar arbeidsongeschiktheid (ME-syndroom) volledig arbeidsgeschikt geacht voor haar eigen werk. De werkneemster bericht de werkgever dat zij zich vanwege haar ziekte niet in staat acht haar werkzaamheden als groepsleidster in de nachtdienst te vervullen en zij houdt zich beschikbaar voor ander werk. De werkgever heeft geen ander werk en sommeert de werkneemster op haar werk te verschijnen. De werkneemster geeft daaraan geen gehoor en wordt met toestemming van de RDA ontslagen. De werkneemster acht dit ontslag kennelijk onredelijk omdat de werkgever afwijzend heeft gereageerd op haar voorstel om ander werk te verrichten en geen afvloeiingsregeling heeft aangeboden. De kantonrechter is van oordeel dat de werkneemster haar oorspronkelijke functie niet meer kan uitoefenen en dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor ander werk. De werkgever had daar op in moeten gaan. De kantonrechter gelast een comparitie van partijen en houdt iedere beslissing aan. De werkgever gaat hiertegen in beroep. De rechtbank stelt evenals de kantonrechter vast dat volgens de verklaring van een internist en de verzekeringsarts de werkneemster lijdt aan ME en dat de werkgever hiervan op de hoogte was. Het oordeel van de kantonrechter dat de werkneemster niet meer haar eigen functie kan uitoefenen is dan ook juist. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en verwijst de zaak terug naar de kantonrechter ter verdere behandeling.

Terug naar overzicht