Rechter kan berekeningswijze heffingsrente niet toetsen op billijkheid


Samenvatting

In 2007 heeft belanghebbende zijn aandelen verkocht en dividend ontvangen. In november 2007 verzoekt belanghebbende daarom om een voorlopige aanslag. Op 28 december 2007 heeft belanghebbende de door hem berekende verschuldigde belasting aan de Belastingdienst overgemaakt. Op 5 januari 2008 wordt er aan belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd. Daarbij is heffingsrente berekend over de periode 1 juli 2007 tot en met 5 januari 2008. Het hof oordeelt dat uit de ontstaansgeschiedenis van art. 30f AWR kan worden afgeleid dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop inkomsten daadwerkelijk worden genoten. De wetgever acht de nadelen die aan deze berekeningswijze zijn verbonden onvoldoende om af te zien van invoering van deze berekeningswijze. De rechter mag deze keuze niet op billijkheid toetsen. Ook de ‘spontane’ betalingen op 28 december 2007 leiden niet tot verkorting van de termijn waarover heffingsrente is berekend.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Bij de wijziging van de heffingsrenteregeling in 2005 heeft de wetgever een bewuste keuze gemaakt om vanaf 1 juli van het lopende kalenderjaar heffingsrente te berekenen. Daarbij heeft de wetgever een afweging gemaakt tussen de voor- en nadelen van een dergelijke systematiek en er rekening mee gehouden dat een renteberekening vanaf 1 juli voor bepaalde belastingplichtigen onredelijk of onbillijk kan uitpakken. De rechter dient die keuze van de wetgever te respecteren en het hof doet dit dan ook door te wijzen op art. 11 van de Wet algemene bepalingen van 15 mei 1829.

Opvallend is echter dat belanghebbenden zich beroepen op de ratio van art. 30f AWR (de compensatie voor geleden rentenadeel dan wel genoten rentevoordeel) en het hof vervolgens zijn…

Verder lezen
Terug naar overzicht