Rechter kan niet als bijstand van de inspecteur optreden


Samenvatting

Belanghebbende produceert in Nederland tabak. De accijns op tabak is in 1992 bij wet verhoogd. Voor deze verhoging is bij besluit een overgangsregeling getroffen. In deze regeling is onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse producten. Buitenlandse producten mochten langer met oude accijnszegels worden beplakt dan binnenlandse. Belanghebbende heeft zich daaraan niet gehouden. Hij heeft als binnenlandse producent producten met oude zegels beplakt. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd. In deze zaak heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2000, nr. 34.116, NTFR 2000/336, beslist dat binnenlandse en buitenlandse producten in de besluiten vergelijkbare gevallen zijn. Die zaak is verwezen naar Hof Den Bosch voor beantwoording van de vraag of voor het gemaakte onderscheid een rechtvaardigingsgrond bestaat. Aanvankelijk zat mr. G.D. van Norden in de zetel. Hij heeft zich verschoond omdat hij door belanghebbende was opgeroepen als getuige op te treden, aangezien hij destijds als directeur van het Ministerie van Financiën betrokken was bij de totstandkoming van de overgangsregeling. Ter zitting heeft belanghebbende haar getuigenaanbod ingetrokken en is Van Norden opgetreden als bijstand van de inspecteur. Belanghebbende heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Hof Den Bosch heeft op 6 juni 2007, nr. 00/00161, NTFR 2007/1826, op basis van de verklaring van Van Norden beslist dat voor het gemaakte onderscheid een rechtvaardigingsgrond bestaat. Belanghebbende is tegen deze hofuitspraak in cassatie gekomen. Zij stelt dat zij is overvallen door de verklaring van Van Norden, dat het hof zijn uitspraak niet op de verklaring van Van Norden had mogen baseren aangezien deze eerder als directeur van…

Verder lezen
Terug naar overzicht