Redenen vertraging geen grond voor handhaving HIR


Wet IB 2001, Wet VPB 1969

Eiseres, een bv, heeft haar horecabedrijf in 2000 verkocht en heeft de daarbij behaalde boekwinst opgenomen in een vervangingsreserve. In 2005 is de (dan inmiddels tot een herinvesteringsreserve omgedoopte) reserve nog niet voor een vervangende investering benut en is de herinvesteringstermijn verlopen.

Er zijn wel onderhandelingen gevoerd omtrent een vervangende investering maar deze zijn afgeketst wegens financiële problemen bij een dochtermaatschappij van eiseres.

Eisers willen de door haar gevormde herinvesteringsreserve ondanks de termijn overschrijding handhaven met een beroep op de in art. 3.54, lid 5, sub b, Wet IB 2001 genoemde uitzondering wegens ‘bijzondere omstandigheden’.

De Rechtbank Haarlem stelt voorop dat deze bepaling als voorwaarde voor verlenging van de termijn eist dat aan het voornemen tot vervanging een begin van uitvoering is gegeven. Indien in dat geval een vertraging optreedt door een bijzondere omstandigheid kan die vertraging de belastingplichtige niet worden tegengeworpen. Ultimo 2005 was eiseres in onderhandeling over overname van een café-restaurant. Het enkele voeren van onderhandelingen kan echter niet worden gekwalificeerd als een begin van uitvoering, ook al gaan die onderhandelingen gepaard met uitwisseling van bedrijfsinformatie. Van een begin van uitvoering is pas sprake als er concrete afspraken zijn gemaakt.

Volgens de Rechtbank heeft de inspecteur de reserve terecht aan de winst over 2005 toegevoegd. Dat de Inspecteur voor het jaar 2004 nog coulant is geweest geeft eiseres geen recht op een zelfde welwillendheid voor het jaar 2005.

Rechtbank Haarlem 10 januari 2011 :09/1484, LJN BP6389

Verder lezen
Terug naar overzicht