Redenen voor ontbinding


Rechtbank Almelo oordeelde recentelijk dat de mogelijkheden om over te gaan tot eenzijdige ontbinding van een voortdurende overeenkomst bij registergoederen, beperkt zijn.

De casus was als volgt: A heeft een hotelappartement gekocht van B. B is een hotelexploitant. A heeft naast de koopovereenkomst tevens een overeenkomst gesloten met B op grond waarvan B diverse diensten verleent op het gebied van de exploitatie van het appartement van A, zoals het verzorgen van de verhuur.

In de leveringsakte was een kettingbeding opgenomen inhoudende dat bij verkoop van het appartement ook deze overeenkomst moest worden doorgegeven, dit alles om de positie van B veilig te stellen.

A wenst echter op enig moment van dit kettingbeding af te komen. A ontbindt daarom het kettingbeding op grond van art. 6:259 BW. Tevens, subsidiair, stelt A dat hij niet meer gebonden is. De argumentatie die A aandraagt is dat B zijn onderneming heeft overgedragen aan C zonder dat die overeenkomst tot aanvullende diensten mee is overgegaan naar C.

De rechtbank stelt A niet in het gelijk en stelt dat dit een voortdurende verplichting met betrekking tot een registergoed betreft en dat hiervoor op grond van art. 6:259 BW slechts twee mogelijke redenen zijn voor ontbinding, te weten (1) indien minstens tien jaren voorbij zijn en het voortduren van de verplichting in strijd is met het algemeen belang en (2) de situatie dat de schuldeiser bij nakoming van de verplichting geen redelijk belang heeft.

De rechtbank stelt ook dat voor wat betreft die eerste reden het vereiste algemeen belang vereist dat niet alleen de direct betrokkenen een belang hebben maar ook (een

deel…

Verder lezen
Terug naar overzicht