Renteregeling van artikel 28c IW 1990 is niet in overeenstemming met Unierecht


Samenvatting

Belanghebbende heeft op 6 augustus 2013 aangifte BPM gedaan ter zake van een personenauto. In de aangifte is vermeld dat de datum eerste toelating in 2011 is. Bij de aangifte is een koerslijst gevoegd, waaruit een handelsinkoopwaarde van € 12.358 blijkt. Belanghebbende heeft € 2.346 BPM op aangifte voldaan. De auto was eerder in 2013 vanuit Nederland naar Duitsland geëxporteerd. In geschil is onder meer of art. 28c IW 1990 in strijd is met het Unierecht.

Rechtbank Gelderland stelt voorop dat op het moment van herinvoer de termijn voor de exporteur om teruggaaf van belasting te vragen op grond van art. 14a Wet BPM nog niet was verstreken. Er is geen verzoek om teruggaaf gedaan. Niet in geschil is dat om die reden ter zake van de herinvoer geen BPM is verschuldigd. Het beroep is daarom gegrond. De verschuldigde belasting wordt op nihil vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een teruggaaf van € 2.346. Nu ter zake van de export geen teruggaaf heeft plaatsgevonden, is op de auto een bedrag aan BPM blijven rusten in verband met de betaling van BPM ter zake van de eerste registratie in Nederland. Indien in die situatie opnieuw wordt geheven bij een nieuwe tenaamstelling in Nederland, bestaat het risico dat op de auto in totaal meer belasting rust dan op referentieauto’s. Heffing van BPM is in die situatie in strijd met het Unierecht. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de wettelijke regeling ter zake van rentevergoeding niet in overeenstemming is met het Unierecht. De regeling is namelijk ongunstiger dan de regeling voor vergoeding van belastingrente indien de teruggaaf uitsluitend voortvloeit uit…

Verder lezen
Terug naar overzicht