Restrictieve interpretatie van het begrip ‘normale uitoefening van het bedrijf’ (2001.16.2127)


Bespreking van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2000, NJ 2000, 689; JBN 2000, nr 54, waarin de interpretatie van het begrip ‘normale uitoefening van het bedrijf’ in art. 1:88 lid 4 BW aan de orde is. Een huurschuld van X BV aan Y wordt omgezet in een achtergestelde lening. A, enig aandeelhouder en bestuurder van X BV, stelt zich in privé tot borg voor de lening jegens Y. De echtgenote van A, die geen toestemming…

Verder lezen