Retentierecht vereist dat object in macht is van retentor


Art 3:290 BW; art. 3:55 BW

Uit een zaak van de Voorzieningenrechter in Arnhem van 8 november 2007 blijkt wederom dat wil iemand een retentierecht uitoefenen ter zake een onroerende zaak, hij de macht moet hebben over die onroerende zaak.
De casus was als volgt. A (retentor) wil een retentierecht uitoefenen ter zake een scheepswerf van B. A maakt hiervan ook melding in een notariële akte die wordt ingeschreven bij het Kadaster alsmede via een aanplakbiljet op de toegangspoort van de scheepswerf. De Rabobank is de hypothecaire financier van B en wenst de scheepswerf te executeren. De Rabobank vordert in rechte daarom dat A haar vermeende retentierecht ongedaan maakt en zorg draagt voor de doorhaling daarvan in het Kadaster. De Voorzieningenrechter geeft de Rabobank gelijk en stelt dat voor het uitoefenen van een retentierecht volgens art. 3:290 BW onder meer vereist is dat een retentor direct of indirect (naar verkeersopvattingen, wet en uiterlijke omstandigheden te beoordelen) feitelijke macht over de zaak uitoefent.

Hiervan is volgens de Voorzieningenrechter geen sprake omdat op de scheepswerf nog steeds scheepsbouwactiviteiten plaatsvinden waardoor de scheepswerf niet in de macht blijkt te zijn van A.
De Voorzieningenrechter oordeelde dat het door A ingeroepen retentierecht – anders dan A kennelijk meende – aan de executie in de weg stond, en dat daarom de kadastrale inschrijving van het vermeende retentierecht moest vervallen.
(Vzngr. Rechtbank Arnhem 8 november 2007, nr 161243 / KG ZA 07-617; LJN: BB8207)

Verder lezen
Terug naar overzicht