Sign. - 124. Hof miskent dat gezag van gewijsde van alimentatiebeschikking wordt beperkt door artikel 1:401 lid 4 BW


M en V zijn in 1978 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2002 door echtscheiding is ontbonden. Bij de echtscheidingsbeschikking is de door M te betalen partneralimentatie bepaald op € 1.250 per maand. Partijen hebben vervolgens op 25 oktober 2002 een echtscheidingsconvenant getekend waarin de partneralimentatie met ingang van 1 september 2002 is bepaald op € 1.361 per maand.
In mei 2008 verzoekt M de rechtbank de bij het convenant overeengekomen alimentatie per 1 september 2007 op nihil te stellen. Bij beschikking van 10 maart 2010 verklaart de rechtbank M in dit verzoek niet-ontvankelijk, omdat hij de door hem gestelde wijziging van omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt.
In 2011 verzoekt M opnieuw de tussen partijen overeengekomen partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1?september 2007. De rechtbank heeft M in dit verzoek niet-ontvankelijk geoordeeld voor zover het de periode betreft van 1?september 2007 tot 11 maart 2010. Immers, zo stelt de rechtbank, over de vraag of in de periode van 1 september 2007 tot 10 maart 2010 sprake is geweest van een wijziging van omstandigheden, is al beslist in de beschikking van 10 maart 2010.
In hoger beroep bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank. Volgens het hof komt de beschikking van 10 maart 2010 gezag van gewijsde toe en kan deze daarom niet worden aangetast.
Volgens de Hoge Raad klaagt M terecht dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hoewel in beginsel ook gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten ter zake van aanspraken op levensonderhoud die zijn vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, …

Terug naar overzicht