Sign. - 22. Geen sprake van samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW


M en V zijn in 1985 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2007 door echtscheiding is ontbonden. De uit het huwelijk geboren kinderen zijn inmiddels meerderjarig. In hun in 2007 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de door M aan V te betalen partneralimentatie €?1.277,11 per maand bedraagt. Partijen twisten over de vraag of al dan niet sprake is van samenwoning als bedoeld in artikel 1:160 BW door V en haar partner X. M stelt dat dit het geval is en heeft de rechtbank verzocht de door hem te betalen partneralimentatie op nihil te stellen. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, waartegen M in hoger beroep is gekomen.
Het hof volgt de rechtbank in haar conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat V op enig moment feitelijk met X is gaan samenwonen als waren zij gehuwd. Hetgeen V heeft gesteld over de frequentie en duur van de momenten dat zij en X samen zijn, vindt grotendeels bevestiging in het door M overgelegde rapport van [detectivebureau], namelijk dat zij elkaar hoofdzakelijk in het weekend zien en incidenteel ook doordeweeks op de momenten dat het werkrooster van X en andere bezigheden en sociale verplichtingen van V en X dat toelaten. Een en ander vindt naar het oordeel van het hof steun in de omstandigheid dat X en V ieder een eigen woning hebben op ruime afstand van elkaar (60 km enkele reis volgens de ANWB routeplanner, snelste route) en ook ieder staat ingeschreven op het eigen adres. Op zich hoeft het aanhouden van twee woningen niet uit te sluiten dat sprake is van samenleven als gehuwden, maar dan zal duidelijk…

Terug naar overzicht