Sign. - 285. Door failliet na faillietverklaring ingestelde procedure tegen voormalig werkgever (Hof Amsterdam, 1 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4319, «JOR» 2017/134, m.nt. mr. A.C.A.D. Bakker)


In dit arrest buigt het gerechtshof zich over de vraag of art. 27 Fw analoog dient te worden toegepast op rechtsvorderingen die na datum faillissement door de failliet zelf (dus niet door diens curator) zijn ingesteld. Na een negatieve beantwoording van die vraag, beoordeelt het gerechtshof of de failliet al dan niet ontvankelijk is in de door hem ingestelde vorderingen. Verrassend blijkt dat deels het geval.

Op grond van het bepaalde in art. 23 Fw verliest de failliet door de faillietverklaring de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Art. 27 tot en met 32 Fw regelen vervolgens de gevolgen van het faillissement voor ten tijde van de faillietverklaring aanhangige procedures, waarbij het vermogen van de failliet betrokken is, en op grond van art. 25 lid 1 Fw worden vanaf het moment van faillietverklaring procedures die rechten en verplichtingen van de boedel tot onderwerp hebben, door of tegen de curator ingesteld. Op nieuwe (na de faillietverklaring) ingestelde procedures zijn art. 27 e.v. Fw dus niet van toepassing. Degene die na de faillietverklaring door de failliet zelf in een procedure wordt betrokken, heeft geen belang bij analoge toepassing van art. 27 Fw om te voorkomen dat een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van geïntimeerde niet op haar kan worden verhaald. Hij kan zich immers op grond van het bepaalde in art. 25 Fw verzetten tegen het instellen door de failliet zelf van een vordering die het vermogen van de failliet betreft, in welk geval een niet-ontvankelijkverklaring van de failliet moet volgen. De onderhavige procedure heeft pas met de op 29 februari 2016 uitgebrachte…

Verder lezen
Terug naar overzicht