Sign. - 287. Toewijzing vordering tot ontruiming bedrijfsruimte door gefailleerde huurder tijdens afkoelingsperiode (Rb. Noord-Holland 19 december 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10518, «JOR» 2017/174, m.nt. mr. K.P. Hoogenboezem)


In dit vonnis staat de vraag centraal of een vordering tot ontruiming kan worden toegewezen tijdens de afkoelingsperiode in faillissement (art. 63a Fw). De afkoelingsperiode heeft tot doel de curator de gelegenheid te geven zich een oordeel te vormen over de vraag welke goederen in de boedel vallen en de noodzakelijke maatregelen te treffen om de onderneming tijdelijk voort te zetten. Mede gelet op deze doelstellingen wordt het algemeen niet mogelijk geacht om gedurende de afkoelingsperiode ontruiming van verhuurde bedrijfsruimten af te dwingen.

De procedure met vordering tot ontruiming wordt in beginsel op grond van art. 28 Fw geschorst om de curator op te roepen. In de onderhavige zaak is de curator tijdig opgeroepen en in het geding verschenen, waarmee hij de procedure heeft overgenomen en deze is voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter een oordeel over deze vordering kan geven. Daartoe wordt als volgt overwogen. Er is een afkoelingsperiode van kracht. In art. 63a Fw is bepaald dat gedurende het van kracht zijn van de afkoelingsperiode derden hun rechten niet zonder machtiging van de rechter-commissaris kunnen uitoefenen. De bedoeling van deze afkoelingsperiode is om de curator de tijd te geven om zich een oordeel te vormen over het bedrijf en de mogelijkheden tot voortzetting of verkoop te verkennen. De curator heeft zich om deze reden uitdrukkelijk verzet tegen toewijzing van de vordering tot ontruiming. Echter ook in geval van toewijzing van de vordering tot ontruiming hebben eisers een machtiging nodig van de rechter-commissaris voordat zij daadwerkelijk tot ontruiming over kunnen gaan. Nu de huurachterstand zodanig groot is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden…

Verder lezen
Terug naar overzicht