Sign. - 293. Prejudiciële vragen inzake uitkering in geld voor niet-genoten vakantiedagen (Rb. Den Haag 1 februari 2017 en 1 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3915, «JOR» 2017/143, m.nt. mr. E. Loesberg)


In deze vonnissen kondigt de kantonrechter in eerste instantie aan prejudiciële vragen te zullen stellen en stelt hij vervolgens prejudiciële vragen aan de Hoge Raad onder andere met betrekking tot de status in het faillissement van de werkgever van de vordering ex. art. 7:641 BW van de werknemer tot vergoeding van vóór de faillietverklaring van de werkgever door de werknemer opgebouwde, maar voor het einde van de arbeidsovereenkomst door hem niet opgenomen vakantiedagen.

Vonnis d.d. 1 februari 2017: Ter beoordeling is of ingevolge art. 40 lid 2 (art. 40 lid 4 (oud)) Fw de vordering in verband met een vergoeding niet-genoten vakantiedagen van de dag der faillietverklaring af een boedelvordering vormt voor zover deze betrekking heeft op vóór de dag der faillietverklaring opgebouwde vakantiedagen. Kern van het geschil tussen partijen is of hetgeen in HR 3 december 1999, «JOR» 2000/17, m.nt. Boekraad (LISV/Wilderink q.q.) ten aanzien van bovenvermelde rechtsvraag is beslist, nog steeds het geldende recht is. De curator ziet in HR 19 april 2013, «JOR» 2013/224, m.nt. Boekraad (Koot Beheer/Tideman q.q.), maar daarnaast ook in verband met enkele andere gronden, aanleiding hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in LlSV/Wilderink q.q. niet meer als geldend recht aan te merken. Hij wijst erop dat hoewel de Hoge Raad zijn beslissing over de kwalificatie van vakantiedagen als boedelschuld in het arrest LlSV/Wilderink q.q. niet op het toedoencriterium heeft gebaseerd, door het arrest Koot Beheer/Tideman…

Verder lezen
Terug naar overzicht