Sign. - 294. Opvolgend werkgeverschap bij doorstart na faillissement (Hof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:859, «JOR» 2017/144, m.nt. mr. E. Loesberg)


In deze zaak speelt wederom de vraag of in geval van een doorstart voor 1 juli 2015 (de datum waarop art. 7:673 BW in werking is getreden) vanuit een faillissement de werknemers die door de doorstarter na 1 juli 2015 worden ontslagen, ook over de periode dat zij (vóór 1 juli 2015) in dienst zijn geweest van de failliete werkgever op grond van art. 7:673 BW recht hebben op een transitievergoeding.

De Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2015. Het voorgaande betekent dat de wet vanaf dat moment geldend recht is en onmiddellijke werking heeft, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald. Voor de onderhavige situatie betekent het voorgaande dat indien appellante ten tijde van de inwerkingtreding van de WWZ redelijkerwijs geacht moet worden opvolgend werkgever voor verweerster te zijn, de gevolgen die de WWZ aan dit zijn van opvolgend werkgever verbindt, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald, wel onmiddellijk van toepassing zijn op appellante. De vraag of appellante op het moment van inwerkingtreding redelijkerwijs geacht moet worden jegens verweerster opvolgend werkgever te zijn, dient evenwel te worden beantwoord op basis van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de WWZ. Aan het huidige criterium (dat wil zeggen het criterium onder de WWZ) op grond waarvan werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn, zoals bepaald in art. 7:668a lid 2BW, is immers geen terugwerkende kracht verleend. Voor het onderhavige geval betekent het voorgaande dat de vraag of appellante als opvolgend werkgever heeft te gelden…

Verder lezen
Terug naar overzicht