Sign. - 310. Geen verjaring van vordering op niet meer bestaande rechtspersoon (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182)


Rabobank sluit een financieringsovereenkomst met Horeca Concept B.V. B stelt zich hiervoor borg, tot een maximum van € 100.000. Horeca Concept gaat in april 2005 failliet. In 2006 wordt het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten. Rabobank vordert uit hoofde van de borgtochtovereenkomst veroordeling van B tot betaling van € 101.785. B stelt dat de vordering op de ontbonden vennootschap is verjaard en de borgtocht daardoor is tenietgegaan.

De rechtbank wijst de vordering van Rabobank toe. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Op grond van art. 7:853 BW gaat de borgtocht teniet wanneer de rechtsvordering op de hoofdschuldenaar verjaart. Tijdens het faillissement kon de rechtsvordering op de hoofdschuldenaar echter niet verjaren op grond van art. 36 lid 1 Fw. Na het faillissement is de rechtsvordering evenmin verjaard. Toen was de hoofdschuldenaar opgehouden te bestaan (ex art. 2:19 lid 4 BW, na de opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten), zodat zich de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 jo. art. 3:320 BW voordeed. Dat brengt volgens het hof mee dat de verjaringstermijn van de vordering van de bank op de vennootschap tot op heden is voortgelopen, en de borgtocht niet is geëindigd. De verjaringstermijn tegen de niet meer bestaande vennootschap is ook zonder stuiting voortgelopen.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het, zonder dat de vereffening van de vennootschap ex artikel 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in art. 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen…

Verder lezen
Terug naar overzicht