Sign. - 315. Aanvang verjaring en klachtplicht bij vorderingen tegen bestuurder (Rb. Zeeland-West-Brabant 14 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5763, «JOR» 2017/160, m.nt. mr. J.P.D. van de Klift)


De curator stelt een van de oud-bestuurders van de failliete vennootschap aansprakelijk ex art. 2:138 en 6:162 BW. Tussen de faillietverklaring en het uitbrengen van de dagvaarding zit bijna 13 jaar. De oud-bestuurder betoogt dat de vordering van de curator is verjaard.

In het geval een vordering op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) is gegrond, hangt het volgens de rechtbank af van de feitelijke grondslag die de schuldeiser aan deze vordering ten grondslag legt of art. 6:89 BW (plicht om tijdig te protesteren) van toepassing is. Indien de feitelijke grondslag is dat de schuldenaar een prestatie op grond van een verbintenis, uit overeenkomst of uit andere bron, niet deugdelijk is nagekomen, is art. 6:89 BW van toepassing. Indien de feitelijke grondslag is dat de schuldenaar de op een ieder rustende rechtsplicht heeft geschonden om zich jegens derden te onthouden van onrechtmatige gedragingen als bedoeld in art. 6:162 BW, is art. 6:89 BW niet van toepassing. De verplichting tot het naleven van genoemde rechtsplicht vindt niet haar grondslag in enige verbintenis tussen schuldenaar en schuldeiser, uit welke bron dan ook. Pas door schending van een dergelijke rechtsplicht ontstaat een verbintenis, namelijk de verbintenis tot het betalen van schadevergoeding. De bron van die verbintenis is de wet, art. 6:162 BW. In het geval van art. 2:138 BW geldt hetzelfde. Pas door schending van de tot het bestuur gerichte norm tot een behoorlijke taakuitoefening ontstaat een verbintenis, namelijk de verbintenis tot het betalen van het…

Verder lezen
Terug naar overzicht