Sign. - 321. Reikwijdte art. 2:11 BW niet beperkt tot bepaalde wettelijke grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (HR 17 februari 2017, «JOR» 2017/121, m.nt. mr. A.F.J.A. Leijten)


De Hoge Raad overweegt dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. Deze bewijslastverdeling doet recht zowel aan de ratio van art. 2:11 BW als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. Het incidentele cassatiemiddel treft dan ook doel.

De annotator merkt op dat de algemeen en leerstellig geformuleerde overwegingen van de Hoge Raad inmiddels al letterlijk in diverse uitspraken van lagere rechters zijn overgenomen en de rechtspraak deze uitspraak dus ziet als een standaardarrest over art. 2:11 BW. Het oordeel dat art…

Verder lezen
Terug naar overzicht