Sign. - 324. Verleggingsregeling omzetbelasting (Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1824, «JOR» 2017/153, m.nt. mr. dr. A.J. Tekstra)


Op grond van art. 12 lid 1 Wet OB 1968 wordt de belasting geheven van de ondernemer die de levering of de dienst heeft verricht. Op grond van art. 12 lid 5 Wet OB 1968 wordt de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, zulks teneinde voor de inning van de belasting meer waarborgen te scheppen (de verleggingsregeling). Art. 24ba lid 1, aanhef en onderdelen d en e, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 bepaalt dat de verleggingsregeling van toepassing is in de gevallen waarin de levering plaatsvindt van een in zekerheid gegeven onroerende zaak tot executie van die zekerheid of op grond van een executoriale titel door de executieschuldenaar. Op grond van art. 24ba lid 2 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 zijn art. 24b lid 6 en 8 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 van overeenkomstige toepassing. Art. 24b lid 6 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 bepaalt dat bij de toepassing van de verleggingsregeling op de uit te reiken factuur wordt vermeld: “omzetbelasting verlegd”. In het arrest van 15 maart 2013, «JOR» 2014/270, m.nt. NEDF en Vermunt (Staatssecretaris van Financiën/X) heeft de Hoge Raad beslist dat de levering ingevolge een verkoop in het kader van een oneigenlijke lossing – daaronder begrepen de verkoop waarmee de hypotheekhouder heeft ingestemd – wordt aangemerkt als een levering tot executie van zekerheid, bedoeld in art. 24ba lid 1, aanhef en onder letter d, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Onder de oneigenlijke lossing verstaat de Hoge Raad de verkoop door de curator krachtens overeenstemming tussen hem en de hypotheekhouder ingeval de hypotheekgever in staat van faillissement verkeert. Nu belanghebbende…

Verder lezen
Terug naar overzicht