Sign. - 325. Prejudiciële vragen over de aard van de vordering Belastingdienst in faillissement (Rb. Amsterdam 5 juli 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4726)


G&G houdt zich bezig met de verkoop van kleding vanuit verschillende winkellocaties. Rabobank heeft een pandrecht op de kledingvoorraden van G&G. In april 2015 sluiten G&G en Rabobank een overeenkomst tot afwijkende wijze van verkoop in de zin van art. 3:251 lid 2 BW en komen eveneens akte tot vestiging van pandrecht op het kasgeld overeen. Kort daarop verklaart de rechtbank G&G failliet. Op dat moment bevinden zich in de winkels van G&G kledingvoorraden. De winkels zijn dan al gesloten. Vervolgens maken de curator en Rabobank over de uitwinning van haar pandrecht door Rabobank op een van art. 3:250 BW afwijkende wijze in de zin van art. 3:251 lid 2 BW. Eind april 2015 zijn de winkels heropend. De Rabobank verzoekt bij de voorzieningenrechter op grond van art. 3:251 lid 1 BW de verpande zaken op een van openbare verkoop afwijkende wijze te mogen verkopen. De voorzieningenrechter bepaalt dat de aan Rabobank verpande voorraden van de winkelpanden van G&G onderhands zouden worden verkocht. De onderhandse verkoop levert € 930.866,24 op, inclusief € 157.836 omzetbelasting. De gehele opbrengst komt aan Rabobank toe. In maart 2016 legt de Belastingdienst naheffingsaanslagen omzetbelasting op aan de curator en in april 2016 meldt de Belastingdienst de desbetreffende btw-vorderingen aan ter verificatie. De curator maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslagen.

De curator vordert voor recht te verklaren dat de omzetbelasting die tijdens de onderhandse verkoop van de voorraden in de faillissementen van G&G aan de pandhouder is toegekomen, geen boedelschuld oplevert in…

Verder lezen
Terug naar overzicht