Sign. - 328. Retentierecht aannemer op woning (Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr) 10 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:726, «JOR» 2017/141, m.nt. mr. M.A. Heilbron)


In dit vonnis gaat het om de vraag of de retentor het recht van parate executie heeft verkregen op grond van art. 60 lid 3 Fw. Ingevolge art. 60 lid 2 Fw kan de zaak waarop een retentierecht rust, door de curator worden opgeëist en worden verkocht. Dit artikel bevat geen vormvereisten ten aanzien van de wijze van opeising door de curator. De hierop betrekking hebbende verklaring kan vormvrij plaatsvinden. In art. 60 lid 3 Fw is bepaald dat de schuldeiser de curator een redelijke termijn kan stellen om tot toepassing van art. 60 lid 2 Fw over te gaan. Laat de curator de termijn ongebruikt, dan is de schuldeiser bevoegd de zaak met toepassing van de voor pand- en hypotheekexecutie geldende bepalingen te verkopen. De rechter-commissaris is bevoegd de termijn op verzoek van de curator een of meermalen te verlengen. Bij e-mail van 21 juli heeft de curator gedaagde bericht dat hij ernaar streeft om de verkoop van de woning gelijk met de verkoop van het project te laten lopen. Op 24 augustus 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de curator en gedaagde, waarin onder meer de verkoop van de woning is besproken. Vervolgens is de curator met een verkooptraject van het project, waaronder de woning, aan de slag gegaan, in welk kader hij medio oktober 2016 een biedingsproces heeft gestart en gedaagde heeft aangeschreven. In dit proces heeft gedaagde aangegeven geïnteresseerd te zijn. Op grond van voormelde omstandigheden, in samenhang bezien, is voorshands aannemelijk te achten dat de curator in ieder geval de zaak na 21 juli 2016 heeft opgeëist en dat dit ook zo…

Verder lezen
Terug naar overzicht