Sign. - 62. Langstlevende was onvoldoende gewezen op gevolgen van verwerping nalatenschap


Uit het huwelijk van M en V zijn twee kinderen (A en B) geboren. V overlijdt in het jaar 2000. In haar testament uit 1997 heeft V een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW (oud) ten gunste van M opgenomen. Verder bevat het testament voor M een keuzelegaat tegen inbreng van de waarde voor het geval hij de nalatenschap verwerpt. Daarbij is echter niet bepaald dat de vorderingen van A en B niet-opeisbaar zijn. In een gesprek met notaris N geeft A aan het ouderlijk huis te willen kopen. N stelt daarop dat A de woning vrij van overdrachtsbelasting kan verkrijgen indien M de nalatenschap verwerpt. Enkele dagen later verwerpt M, door middel van een door N opgestelde volmacht, de nalatenschap.
Een paar jaar later ontstaat met betrekking tot de nalatenschap onenigheid tussen M en B. Naar aanleiding hiervan dient M een klacht jegens N in. Volgens M heeft N hem er niet op gewezen dat door verwerping A en B een opeisbare vordering op hem zouden krijgen. N had, aldus M, in ieder geval de mogelijkheid aan de orde moeten stellen dat bij overeenkomst de vorderingen niet-opeisbaar hadden kunnen worden gemaakt.
In hoger beroep acht het hof de klacht gegrond. Uit de stukken en uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht, leidt het hof af dat M door N niet voldoende uitdrukkelijk is gewezen op – en voorgelicht over – de gevolgen van verwerping van de nalatenschap. Dat had wel op zijn weg gelegen, zeker gezien het feit dat de keuze voor aanvaarding dan wel verwerping binnen een paar dagen moest…

Terug naar overzicht