Sign. - Aan derde verstrekte beleggingsadviezen


Vast staat dat de bank geen bemoeienis heeft gehad met, of verantwoordelijk is geweest voor, de gewraakte beleggingsadviezen en dat zij evenmin als instelling betrokken is geweest bij de uitvoering van de daarmee samenhangende effectentransacties als zodanig. De beleggingsadviezen waren afkomstig van Wagner & Partners (W&P) en de effectentransacties zijn ook niet via de bank geëffectueerd. Van enige handeling als effectenbemiddelaar door de bank is de rechtbank dan ook niet gebleken. Van schending van een zorgplicht voortvloeiend uit de Wte 1995 door de bank kan dan ook geen sprake zijn. Ook voor het aannemen van een "devolutieve" zorgplicht is gelet op het voorgaande geen plaats. Gelet op het Safe Haven-arrest («JOR» 2006/20) rust onder bepaalde omstandigheden op een bancaire instelling die beleggingsactiviteiten van een andere instelling faciliteert een bijzondere zorgplicht ten opzichte van beleggers bij die instelling op het moment dat zij ermee bekend is geraakt dat de beleggingsactiviteiten van die instelling (mogelijk) in strijd worden verricht met effectenrechtelijke regelgeving. De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval van dergelijke omstandigheden niet, althans onvoldoende, is gebleken. als al zou moeten worden aangenomen dat W&P vergunningplichtig was in de zin van de Wte 1995, geldt dat de Stichting niet heeft onderbouwd dat de bank op de hoogte was van het feit dat W&P beleggingsactiviteiten verrichtte zonder dat W&P over de vereiste vergunning beschikte. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de bank betrokken was bij de uitvoering van effectentransacties als zodanig, hetgeen in het Safe Haven-arrest wel een omstandigheid van belang was. (Rb. Amsterdam 27…

Verder lezen
Terug naar overzicht