Sign. - Aanbieden van beleggingsobjecten


Eisers stellen dat Robiplant haar verplichtingen niet nakomt, dan wel onrechtmatig handelt, door zonder vergunning van de AFM beleggingsobjecten te blijven beheren. Robiplant heeft niet de vergunning die zij op grond van art. 2:55 Wft voor het aanbieden van (daaronder begrepen het beheer van) beleggingsobjecten moet hebben. Toen Robiplant de overeenkomsten met eisers aanging, bestond er nog geen vergunningplicht voor Robiplant. De verplichting om een vergunning te hebben, is enkel gebaseerd op de Wft, en niet (ook) op de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Dat die verplichting onderdeel van de overeenkomst is geworden, is gesteld noch gebleken. Dat betekent dat het feit dat Robiplant niet over een vergunning beschikt, in de contractuele verhouding met eisers niet zonder meer kan worden beschouwd als het niet nakomen van een uit overeenkomst voortvloeiende verplichting en dat het enkele niet beschikken door Robiplant over een vergunning geen grond kan zijn voor ontbinding van de overeenkomsten. Ditzelfde geldt waar eisers stellen dat Robiplant haar verplichtingen uit de overeenkomsten niet (goed) nakomt, omdat zij in strijd met de beslissing van de AFM van 6 mei 2008 (last onder dwangsom) blijft beheren in plaats van af te wikkelen. Eisers spreken PRF aan als tussenpersoon en stellen dat PRF niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. Het staat onvoldoende vast dat PRF niet adequaat heeft geadviseerd en/of van een onvoldoende gedegen analyse is uitgegaan. Als wel zou worden vastgesteld dat PRF als opdrachtnemer haar zorgplicht zou hebben verzaakt, zou dat niet zonder meer kunnen leiden tot ontbinding van de door eisers met Robiplant en PRF gesloten overeenkomsten. PRF…

Verder lezen
Terug naar overzicht