Sign. - Aandeelhouderschap vloeit voort uit verstrekken lening


Belanghebbende investeert in onroerend goed, waarop een chaletpark wordt gerealiseerd. Belanghebbende kan het project niet zelfstandig realiseren en gaat daarom een samenwerkingsovereenkomst aan met een derde. Belanghebbende neemt vervolgens voor 40% een belang in een dochtermaatschappij van die derde. De dochtermaatschappij koopt vervolgens het onroerend goed van belanghebbende. Daarbij blijft de dochtermaatschappij een bedrag van € 450.000 schuldig aan belanghebbende, die geen zekerheden bedingt. Wanneer het project komt stil te liggen en het financieel slecht gaat met de dochtermaatschappij, waardeert belanghebbende haar vordering op de dochtermaatschappij af. De inspecteur weigert de afwaardering en stelt dat sprake is van een onzakelijke lening. De Hoge raad herhaalt zijn regel uit BNB 2012/37 over de onzakelijke lening en formuleert hierop vervolgens de uitzondering. Van een onzakelijke lening is geen sprake wanneer een belastingplichtige (1) voorafgaand aan de geldverstrekking nog geen aandeelhouder is, (2) in het kader van de geldverstrekking aandeelhouder wordt of anderszins medegerechtigd wordt tot de winst, en (3) de meerderheidsaandeelhouders geen leningen verstrekken aan de vennootschap. Onder deze omstandigheden is de geldverstrekking geen onzakelijke lening. De Hoge raad overweegt vervolgens dat het aandeelhouderschap van belanghebbende voortvloeide uit het verstrekken van de lening, zodat belanghebbende haar vordering mocht afwaarderen. De Hoge raad voegt hieraan toe dat het eventueel verkrijgen van een belang in de dochtermaatschappij voorafgaand aan de geldverstrekking hieraan niet in de weg staat, omdat sprake is van een verband tussen het aangaan van de lening en het worden van aandeelhouder. (HR 3 mei 2013, nr. 11/03249, LJN BW1971, V-N 2013/22.14, NTFR 2013/…

Verder lezen
Terug naar overzicht