Sign. - Aangaan kredietovereenkomst niet onverantwoord


 

Appellante A (rechtsopvolgster van C) betoogt dat de AFM niet bevoegd is om – in algemene zin – de norm van art. 4:34 lid 2 Wft in te vullen door te oordelen dat de overtreding van de gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) altijd meebrengt dat sprake is van onverantwoorde kredietverstrekking. Het College stelt vast dat de wetgever geen nadere invulling aan het begrip "onverantwoord" in art. 4:34 lid 2 Wft heeft gegeven en deze invulling, mede gelet op de brief van de minister van 15 februari 2006, in beginsel aan de zelfregulering door de branche heeft overgelaten. De AFM heeft in deze omstandigheden tot uitgangspunt kunnen nemen dat art. 6 van de GHF als maatstaf door de banken kan worden gehanteerd om te voldoen aan de open normstelling van art. 4:34 lid 2 Wft. De rechtbank heeft overigens ook terecht overwogen dat de AFM zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het niet na leven van de GHF steeds leidt tot overtreding van art. 4:34 lid 2 Wft. De AFM heeft het standpunt ingenomen dat de in art. 6 lid 6 GHF neergelegde afwijkingsbevoegdheid niet ziet op de annuïtaire toets van de CHF-norm. Het College overweegt dat volgens de bewoordingen van art. 6 lid 6 GHF ook de in het vierde lid bedoelde normen in bijzondere gevallen mogen worden overschreden. De annuïtaire toets is onderdeel van het vierde lid. Het College leidt uit de brief van de minister, anders dan de rechtbank, ook niet af dat van de annuïtaire toets zoals verwoord in art. 6 lid 4 GHF, …

Verder lezen
Terug naar overzicht