Sign. - Aansprakelijkheid aandeelhouder en bestuur


Aansprakelijkheid Bouwman Holding ex art. 6:162 BW. Als enig aandeelhouder rustte op Bouwman Holding de wettelijke plicht om slechts dividend aan zich uit te laten keren binnen de grenzen van de wettelijke vereisten van art. 2:216 BW. Ook had zij als enig aandeelhouder de taak om toezicht uit te oefenen op het door het bestuur van ZHg, de failliet, gevoerde financiële beleid. Vanwege de hechte concernstructuur en de wettelijke verplichtingen en taken die Bouwman Holding als enig aandeelhouder had, had zij ook een bijzondere zorgplicht ten opzichte van de crediteuren van ZHg. Door haar feitelijke macht binnen ZHg eerst te gebruiken voor het zonder rechtsgrond toekennen van managementvergoedingen die de solvabiliteit hebben ondermijnd, vervolgens de eisen van de INg-bank niet in te willigen noch erop toe te zien dat het bestuur van ZHg de solvabiliteits- en liquiditeitsproblemen op andere wijze het hoofd bood, heeft Bouwman Holding deze bijzondere zorgplicht geschonden en onrechtmatig gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van ZHg. II. Kennelijk onbehoorlijk bestuur ex art. 2:248 lid 1 en 2 BW. Het bestuur heeft niet aan de publicatieplicht voldaan en het moet ervoor worden gehouden dat het bestuur van ZHg Beheer zijn taak ook overigens onbehoorlijk heeft vervuld door het betalen van managementvergoedingen aan Bouwman Holding, ook in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement, waardoor de solvabiliteit van de onderneming ernstig werd ondermijnd. De rechtbank stelt vast dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van ZHg Beheer. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om de aansprakelijkheid van het gehele bestuur te matigen. …

Verder lezen
Terug naar overzicht