Sign. - Aansprakelijkheid bestuurder stichting derdengelden


De curator vordert een verklaring voor recht dat bestuurder A tegenover de Stichting Derdengelden aansprakelijk is op grond van art. 2:9 BW, en schadevergoeding. De rechtbank heeft vooropgesteld dat ingevolge art. 2:9 BW elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak en dat voor aansprakelijkheid krachtens dit artikel is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt van onbehoorlijk bestuur kan worden gemaakt, dit laatste te beoordelen aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het hof verenigt zich met dat criterium. Art. 2:291 BW bepaalt dat het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Dat besturen omvat mede het zorgen voor de verwezenlijking van haar doel, wat bestond uit het tijdelijk beheren van derdengelden ten behoeve van de rechthebbende en het betalen van derdengelden aan de rechthebbende. Op A als bestuurder rustte dus de algemene taak ervoor te zorgen dat het tijdelijk beheren en betalen van de derdengelden op de juiste wijze aan de juiste (rechts)persoon plaatsvond. Hiervoor was in ieder geval nodig dat A in grote lijnen op de hoogte was van betalingen aan en door de stichting en dat tot zijn algemene taak als bestuurder moest worden gerekend dat hij de betalingen aan en door de stichting controleerde. Op grond van de Boekhoudverordening 1998 bestond voor A als bestuurder van de stichting tevens de bijzondere verplichting om erop toe te zien dat het tweehandtekeningenvereiste werd nageleefd. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door A en die vraag bevestigend beantwoord. Gelet op de doelstelling van de stichting waarvan A medebestuurder was en de…

Verder lezen
Terug naar overzicht