Sign. - Aansprakelijkheid jegens aandeelhouder


Het niet in acht nemen van het bepaalde in art. 14 lid 3 van de statuten van Broekmans Assurantiën en het hiermee schenden van een zorgvuldigheidsnorm die strekt tot bescherming van BRR als aandeelhouder, leidt niet zonder meer tot aansprakelijkheid van Broekmans Beheer en (ex art. 2:11 BW) Broekmans tegenover BRR. Daarvoor is vereist dat Broekmans Beheer, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, voor haar handelen een ernstig verwijt treft. Aan dit vereiste is niet voldaan. Onder de omstandigheden, waarbij besluitvorming binnen het formele kader van de ava feitelijk jarenlang heeft ontbroken en BRR een en ander op zijn beloop heeft gelaten, valt niet in te zien dat Broekmans Beheer een ernstig verwijt treft. Ook als zou worden aangenomen dat Broekmans Beheer wel een ernstig verwijt treft dan ziet die aansprakelijkheid uitsluitend op schade die het gevolg is van de handelingen die Broekmans Beheer in strijd met de statuten heeft verricht. BRR heeft nagelaten te onderbouwen dat de schade waarvan zij in dit geding vergoeding vordert, het gevolg is van het gestelde niet in acht nemen van de statuten. BRR kan niet worden gevolgd in haar klacht dat de wijze waarop Broekmans Beheer leiding heeft gegeven aan de onderneming van Broekmans Assurantiën onafwendbaar tot diens faillissement heeft geleid, reeds omdat die klacht niet de schending betreft van een specifieke zorgvuldigheidsnorm die de bestuurder tegenover de aandeelhouder in acht moet nemen. Alleen de curator van de vennootschap kan vergoeding vorderen van de schade die het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder (art. 2:9 BW). Van Thiel bespreekt het oordeel van het hof, plaatst daarbij een aantal…

Verder lezen
Terug naar overzicht