Sign. - Achtergrond rechtshandeling en samenspanning


Art. 47 Fw strekt ertoe te voorkomen dat schuldeisers zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid aan de concursus onttrekken. Daarvan kan in het onderhavige geval niet worden gesproken. De opeisbare schulden vloeiden voort uit leningen waarmee directeur-grootaandeelhouder lindenbergh (vanuit zijn BV Blikkenburg) failliet in staat wilde stellen om bestellingen te kunnen doen. Daarmee kon omzet worden behaald die voor het voortbestaan van failliet van wezenlijk belang zou kunnen zijn. Aan deze onverplichte leningen heeft Blikkenburg de voorwaarde verbonden dat zij zouden worden afgelost zodra de met de leveringen gemoeide inkomsten dat toelieten. Met de gewraakte betalingen werd steeds uitvoering gegeven aan deze voorwaarde waarmee Blikkenburg heeft getracht om haar eigen risico's als geldschieter zoveel mogelijk te beperken. Het is niet juist om deze achtergrond, waaronder het gegeven dat de leningen zonder de "zekerheid" van de meerbedoelde voorwaarde niet zouden zijn verstrekt, bij de toetsing aan art. 47 Fw buiten beschouwing te laten. Het zijn juist de bijkomende omstandigheden die het element van kwade trouw wegnemen, dat wel aanwezig is wanneer aan de vooravond van het faillissement nog gewone "intercompany-vorderingen" worden voldaan, in de wetenschap dat andere crediteuren onbetaald zullen blijven. De tekst van art. 47 Fw noch het systeem van de wet dwingt tot de opvatting van de curator dat de achtergrond van de betaalde schulden bij de toetsing aan art. 47 Fw moet worden genegeerd. Volgt men die opvatting, dan schiet de uitzonderingsbepaling van art. 47 Fw zijn doel voorbij en bestaat het gevaar dat aandeelhouders en concernvennootschappen zich te snel zullen laten weerhouden van reddingsoperaties. Ongeacht de vraag of…

Verder lezen
Terug naar overzicht