Sign. - Achterstelling


A-G: Tegen de achtergrond van het arrest HR 24 oktober 1997 («JOR» 1997/147 (Van Uden/Sifun)) heeft verzoekster (tot cassatie) in dit geding het standpunt ingenomen dat sprake is van kapitaalverstrekking, althans van achtergestelde leningen die in feite het karakter hadden van kapitaalverstrekking. De omstandigheid dat verzoekster het bedrag van de opgezegde leningen niet heeft terugbetaald, kan volgens verzoekster niet de gevolgtrekking dragen dat zij verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Volgens de beide schuldeisers (verweersters in cassatie) daarentegen, was hier sprake van tijdelijke, kort lopende geldleningen "ter delging van liquiditeitskrapte". Tot dusver is door de Hoge Raad niet aanvaard dat bij het vaststellen van de rangorde van de schuldeisers in een faillissement, een vordering uit geldlening door een aandeelhouder of door een andere vennootschap binnen dezelfde groep van ondernemingen wordt aangemerkt als een achtergestelde vordering zonder de in art. 3:277 lid 2 BW genoemde contractuele grondslag. Voor zover de achterstelling niet op een overeenkomst van achterstelling kan worden gebaseerd, is voor een doorbreking van de paritas creditorum (gelijkheid van schuldeisers) een wettelijke basis is vereist. in het huidige cassatiegeding gaat het niet om het bepalen van de rangorde van de schuldeisers in het faillissement. Voor het oordeel over de vraag of een schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, is die rangorde niet direct van belang. Veeleer is van belang wanneer de vordering van de schuldeisers opeisbaar is: zo is het bijvoorbeeld mogelijk een opschortende voorwaarde overeen te komen (art. 6:22 BW). De Hoge Raad verwerpt…

Verder lezen
Terug naar overzicht