Sign. - Actueel - Sociale Zekerheidsrecht - Wet anticumulatie ZW en WW: barre tijden voor zieke werklozen


In deze bijdrage bespreekt de auteur de belangrijkste wijzigingen die het Wetsvoorstel anticumulatie Ziektewet en Werkloosheidswet (Kamerstukken II 2009/10, 32 464, nr. 1-4) meebrengt en becommentarieert deze voorstellen. De eerste besproken wijziging betreft de duur van een WW-uitkering van zieke vangnetters. Als een WW-gerechtigde zich thans ziek meldt, ontstaat na 13 weken onafgebroken ziekte recht op ziekengeld ex art. 29 lid 2 onderdeel d ZW. In dat geval verbruikt de WW-gerechtigde dus hooguit 13 weken van zijn WW-uitkering, maar na herstel kan zijn restant aan WW-uitkering herleven. Volgens de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is het voor werknemers voor wie de dienstbetrekking eindigt tijdens ziekte en voor WW-gerechtigden financieel aantrekkelijk enige tijd in de ZW te verblijven, omdat daardoor de einddatum van hun WW-uitkering opschuift. Het onderhavige wetsvoorstel moet dergelijk ongewenst gedrag voorkomen. Volgens het voorstel wordt aan art. 42 WW een zesde lid toegevoegd dat regelt dat de WW uitkeringsduur wordt verminderd met de duur van het, op grond van de ZW in de periode tussen het einde van de dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag ontvangen ziekengeld. Eenzelfde anticumulatie geldt ook wanneer de dienstbetrekking niet wordt beëindigd, maar werknemer met werkgever een vermindering van arbeidsuren overeenkomt. In een nieuw lid 7 bij art. 42 WW worden drie uitzonderingen voor deze anticumulatie gegeven. Het betreft steeds vangnetters met een werkgever, dus werknemers die een Ziektewetuitkering ontvangen tijdens dienstverband. Dit betekent dat de voorgestelde anticumulatie alleen geldt voor vangnetters zonder werkgever genoemd in art. 29 lid 2 onderdelen a-d…

Verder lezen
Terug naar overzicht