Sign. - Afstand van recht


Uit de tekst van art. 3.2 van de (overname) overeenkomst volgt duidelijk dat een bedrag van € 175.000, deel uitmakende van de koopsom, wordt omgezet in een geldlening van eiseres aan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2. Dat staat er met zoveel woorden. De omstandigheid dat de echtgenote van gedaagde sub 2 heeft meeondertekend is minder belangrijk. Dergelijke handtekeningen worden vaker gevergd indien de statutair bestuurder in privé verplichtingen aangaat, zonder dat dit altijd rechtens noodzakelijk is. Men doet dit om alle risico's te vermijden. Er is geen sprake van borgtocht. De geldleningovereenkomst is opgesteld tussen eiseres en gedaagde sub 1. Er wordt niet een dergelijke akte opgesteld tussen eiseres en gedaagde sub 2. Evenmin is er correspondentie of worden er stellingen ontwikkeld over mondelinge uitlatingen waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat gedaagde sub 2 niet langer schuldenaar met betrekking tot de geldlening zou zijn. Voor afstand van recht (art. 6:160 BW) is een overeenkomst vereist van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Er is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst. Er is geen sprake van gedragingen, waaronder nalaten van eiseres, die bij gedaagden het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat eiseres van dit vorderingsrecht afstand doet. Het is inderdaad zo dat, in strijd met de tekst van art. 3.2 van de overeenkomst, in de separate geldleningovereenkomst niet wordt gerept van het schuldenaarschap van gedaagde sub 2 en dat eiseres daartegen nooit heeft geprotesteerd. Dit is in casu echter onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat hierdoor sprake is…

Verder lezen
Terug naar overzicht