Sign. - Afwaardering regresvordering


's Hofs oordeel dat de betaling door belanghebbende van het bedrag van € 7.212 voor het gehele bedrag een vordering op B BV deed ontstaan, is gebaseerd op 's Hofs kennelijke uitleg van de uit de kredietverstrekking ontstane onderlinge rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren in dier voege dat het krediet uitsluitend B BV aanging in de zin van art. 6:10 BW. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat B BV de door de bank verschafte middelen overeenkomstig het bestedingsdoel aanwendde in het kader van haar bedrijfsuitoefening en dusdoende het krediet heeft gebruikt. Het middel gaat dan ook ten onrechte ervan uit dat het krediet belanghebbende, a BV, C BV, B BV en D ieder voor een vijfde gedeelte aanging. Het Hof heeft derhalve, gelet op het bepaalde in art. 6:10 lid 1 BW, terecht overwogen dat belanghebbende door de betaling van het bedrag van € 7.212 een regresvordering tot dat bedrag heeft op B BV, en is er evenzeer terecht van uitgegaan dat in het onderhavige geval sprake is van een terbeschikkingstelling van vermogen door belanghebbende aan B BV in de zin van art. 3.92 lid 1, aanhef en letter a Wet IB 2001. aangezien niet in geschil is dat B BV het genoemde bedrag van € 7.212 niet zal kunnen voldoen, kan de afwaardering van deze vordering in aanmerking worden genomen bij de bepaling van belanghebbendes resultaat uit overige werkzaamheden in het onderhavige jaar. Bij de bepaling van dat resultaat dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de schuld jegens de bank, die werd gedelgd ten laste van belanghebbende als…

Verder lezen
Terug naar overzicht