Sign. - Afwijking hoofdregel artikel 1:100 BW (verdeling bij helfte)


M en V zijn in 2008 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is in 2009 door echtscheiding ontbonden. Er zijn geen kinderen uit het huwelijk geboren.
Tussen M en V is in geschil of V voor de helft draagplichtig is voor twee geldleningen van ruim € 20.000 die M vóór het huwelijk bij een bank had afgesloten. Volgens V hoeft zij niet bij te dragen in deze schulden, omdat deze aan M zijn verknocht dan wel omdat deze schulden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitsluitend aan M moeten worden toegedeeld.
In navolging van de rechtbank heeft het hof het betoog van V verworpen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat de aard van de schulden niet zodanig is dat deze naar maatschappelijke normen moeten worden aangemerkt als een verknochte schuld, zodat deze in de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap moeten worden betrokken. Het hof acht de door V gestelde feiten en omstandigheden niet van dien aard dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in het kader van de verdeling van de gemeenschap de schulden alleen door M dienen te worden gedragen. V heeft tegen de uitspraak van het hof cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd en het geding naar dit hof verwezen (LJN BV1749).
Het hoger beroep van V richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de helft van de door M aangegane schulden aan hem dient te voldoen. V stelt dat in het onderhavige geval sprake is van zodanig uitzonderlijke feiten en omstandigheden dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de schulden in hun geheel door M dienen te worden gedragen…

Terug naar overzicht