Sign. - Afwijking van de driejaarstermijn ex artikel 1:253t lid 2 sub b BW


M en V zijn in 1997 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk in 1998 dochter D is geboren. Datzelfde jaar wordt het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden. M en V hebben het gezamenlijk gezag over D behouden. In 2004 hertrouwt V met X. Ofschoon van echtscheiding (nog) geen sprake is, zijn V en X thans feitelijk uit elkaar. D woont bij X.
V en X verzoeken (1) wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag in het eenhoofdig gezag van V en (2) gezamenlijk gezag van V en X. M heeft aangegeven dat hij kan instemmen met de verzoeken en hij heeft een referteverklaring getekend.
De rechtbank overweegt als volgt. D heeft ruim negen jaar samen met V, X en haar halfzusje een gezin gevormd. Alhoewel er sinds enige tijd weer met regelmaat contact is tussen D en M, is dit contact niet dusdanig dat er feitelijk sprake is van een gezamenlijke uitoefening van het gezag door V en M. Vastgesteld kan worden dat V al geruime tijd feitelijk alleen, althans zonder M, het gezag over D uitoefent. M stemt in met deze situatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in het belang van D noodzakelijk is dat het gezag over haar wordt gewijzigd, in die zin dat het gezag voortaan alleen aan V toekomt. Op deze wijze wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de sinds lange tijd bestaande feitelijke situatie.
Wat betreft het verzoek tot gezamenlijk gezag met X overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat D een warme en bestendige relatie met X heeft opgebouwd en dat X al ruim…

Terug naar overzicht