Sign. - Afwijzing vordering werkgever tot naleving in beëindigingsovereenkomst met werknemer opgenomen pro-formaverweer inzake 685-procedure


Op initiatief van de werkgever is tussen partijen overleg gevoerd over een beëindigingsovereenkomst. Afgesproken is dat indien werknemer niet voor 1 juli 2009 ander werk heeft gevonden, hij zal meewerken aan een pro-formaontbinding met toekenning van een vergoeding van € 75.000. Werknemer werkt vervolgens niet mee aan uitvoering van de gemaakte afspraken. Werkgever vordert bij de voorzieningenrechter naleving van de overeenkomst en heeft zich ndash onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad (o.a.: HR 10 december 2004, NJ 2006/214) ndash op het standpunt gesteld dat naleving van een overeenkomst tot pro-formaverweer niet in strijd is met de dwingend rechtelijke bepaling van art. 7:685 BW die de toegang tot de ontbindingsrechter garandeert. Werknemer stelt zich op het standpunt dat het gevorderde in strijd is met de wet. De voorzieningenrechter oordeelt dat werkgever er aan voorbij gaat dat toewijzing van de vordering tot gevolg zou hebben dat andere verweren door werknemer ook niet meer gevoerd zouden mogen worden. In algemene zin kan daarbij onder meer gedacht worden aan: een beroep op wilsgebreken met betrekking tot de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst, het opwerpen van de vraag of geen misleiding van het UWV heeft plaatsgevonden en het opwerpen van de vraag of met de afwijking van dwingend recht niet ook de grens van de openbare orde wordt overschreden. Dat moge in de onderhavige casus allemaal niet erg voor de hand liggen, maar het oordeel daarover is aan de kantonrechter opgedragen en voorbehouden en mogelijk debat daarover dient niet voor de voorzieningenrechter te worden gevoerd met als mogelijk resultaat dat werknemer verweren die hij ondanks het bestaan van de beëindigingsovereenkomst nog…

Verder lezen
Terug naar overzicht