Sign. - Afwikkeling negatieve boedel


Aan zijn vordering tot opheffing van het beslag legt de curator ten grondslag dat het boedelactief benodigd is voor de voldoening van andere vorderingen dan die van appellant, welke andere vorderingen preferent zijn ten opzichte van die van appellant. De vorderingen op de boedel zijn groter dan het beschikbare actief. Het boedelactief zal derhalve moeten worden aangewend op een wijze die recht doet aan de aanspraken – waaronder de preferentie daarvan – van elk van de boedelcrediteuren. Doorgang van de door appellant verlangde executie zal tot gevolg hebben dat de vordering van appellant op de boedel (geheel) zal worden voldaan. Dat is slechts gerechtvaardigd indien bij een juiste aanwending van het boedelactief de vordering van appellant ook zal moeten worden voldaan. Het standpunt van appellant komt neer op diens naar voorlopig oordeel alleszins verdedigbare stelling dat de vordering van het UWV lager in rang is dan zijn vordering. Of dit standpunt in een bodemprocedure zal worden gevolgd, kan thans niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen, wat in kort geding aanleiding geeft tot behoedzaamheid (Hr 29 november 2002, NJ 2003, 78). Daartoe is te meer reden nu het belang van UWV wellicht in die bodemprocedure verdedigd kan worden. Doorgang van de executie heeft daardoor als bezwaar dat een situatie kan ontstaan waarin appellant meer geld ten laste van de boedel ontvangt dan waar hij recht op heeft. Het belang van appellant om desondanks de executie te kunnen voortzetten is van minder gewicht dan de belangen die worden gediend bij een juiste verdeling van het boedelactief waarbij de aanspraken van alle betrokken crediteuren worden gerespecteerd. Dat het tot een dergelijke juiste verdeling kan komen, is voldoende…

Verder lezen
Terug naar overzicht