Sign. - Alimentatiebehoefte tijdens verblijf in buitenland


Het hoger beroep van de vrouw beperkt zich tot de periode waarin zij in [land] verbleef, te weten van 14 juli 2010 tot 17 maart 2011. Partijen verschillen van mening over de vraag of de vrouw in die periode behoefte had aan een uitkering tot haar levensonderhoud.
In hetgeen de man heeft aangevoerd, acht het hof onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat het vertrek van de vrouw naar [land] jegens hem dermate grievend is, dat in redelijkheid niet meer van de man kan worden gevergd dat hij bijdraagt in haar levensonderhoud, dan wel dat die onderhoudsverplichting op grond daarvan zou moeten worden gematigd. De stelling van de man dat het vertrek voor hem en zijn geheel onverwacht kwam, acht het hof niet aannemelijk geworden, nog daargelaten of dat vertrek in dat geval wel als grievend in vorenbedoelde zin zou kunnen worden aangemerkt. Gebleken is dat in elk geval de man op de hoogte was van het vertrek van de vrouw naar [land]. De vrouw heeft de man voorafgaand aan haar vertrek verzocht om haar naar het vliegveld te brengen, aan welk verzoek de man heeft voldaan. Voorts is gebleken dat de vrouw haar vertrek in juli 2010 heeft aangekondigd. Het feit dat de vrouw in genoemde periode niet heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter en de stelling dat de dochter door dat vertrek emotioneel beschadigd is geraakt, leiden niet tot een ander oordeel.
Anders dan de man is het hof van oordeel dat van de vrouw, gelet op haar gezondheid, tijdens haar verblijf in [land] in redelijkheid niet kon worden verwacht in haar…

Terug naar overzicht