Sign. - Alledaags krediet of niet? (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9118)
M en V zijn met elkaar gehuwd. M is directeur van BV X. Op 20 april 2010 komen A en BV X overeen dat A haar bedrijfsruimte aan BV X zal verhuren voor de exploitatie van een kinderspeelparadijs met ingang van 1 december 2010 tegen een huurprijs van € 15.569,16 per maand. Op 17 september 2012 sluiten A en BV X een geldleningsovereenkomst, waarbij A aan BV X een bedrag van € 161.467 in leen verstrekt ter financiering van de in de voormelde bedrijfsruimte door A geplaatste installaties. In diezelfde overeenkomst geeft M een persoonlijke borgstelling af tot het bedrag van € 161.467. Op 14 maart 2013 sluiten A en BV X een tweede geldleningsovereenkomst, waarbij A aan BV X een bedrag van € 70.304 in leen verstrekt ter financiering van de aan A verschuldigde huur, servicekosten, rente en annuïteit over de periode juni-oktober 2012.
A stelt BV X op 1 augustus 2013 in gebreke wegens niet nakoming van de in beide overeenkomsten opgenomen betalingsverplichtingen en sommeert BV X tot betaling. Daarnaast legt A conservatoir beslag op de bedrijfsinventaris en de onroerende zaken van M. Op 8 augustus 2013 roept V de vernietiging in van de door M verstrekte persoonlijke borgstelling ex artikel 1:88 en 1:89 BW. Op 27 augustus 2013 wordt BV X failliet verklaard. De huurovereenkomst is na opzegging door de curator en in het kader van een doorstart met wederzijds goedbevinden beëindigd.
In eerste aanleg vordert A dat M wordt veroordeeld tot betaling van € 141.095,53, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 1 augustus 2013. …