Sign. - Bemiddeling zonder vergunning (II)


 

Het hoger beroep van de AFM beperkt zich in de onderhavige zaak tot het oordeel van de rechtbank dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op de openbaarmaking als bedoeld in art. 1:97 Wft. Het College is van oordeel dat het beroep slaagt en verwijst daartoe naar de uitspraak van 24 april 2012 («JOR» 2012/220). Daarin is overwogen dat het College niet inziet dat het stelsel van de Wft met betrekking tot openbaarmaking van boetebesluiten zich er tegen zou verzetten dat, in een situatie waarin de openbaarmaking door de voorzieningenrechter is geschorst, openbaarmaking (alsnog) plaatsvindt op een later moment dan ter gelegenheid van het boetebesluit. De voorzieningenrechter heeft de schorsing van de openbaarmaking in de onderhavige kwestie niet in tijd beperkt. gelet hierop en nu de rechtbank in de bestreden bodemuitspraak geen later tijdstip heeft bepaald, is de schorsing van de beslissing tot openbaarmaking op grond van art. 8:82 lid 2 Awb vervallen met de bestreden bodemuitspraak waarin de opgelegde boete is gehandhaafd. Ook in die situatie herleeft de verplichting voor de AFM om – behoudens de situatie van het vierde lid – tot openbaarmaking ex art. 1:97 Wft over te gaan. De bestreden uitspraak moet worden vernietigd, voor zover het beroep tegen de in de beslissing op bezwaar vervatte openbaarmaking gegrond is verklaard. Het College zal het beroep tegen die beslissing in zoverre alsnog ongegrond verklaren. aangezien met de uitspraak in de zaak AWB 10/108 («JOR» 2013/115) het besluit tot het opleggen van de boete in rechte onaantastbaar is geworden, ligt het in de rede dat…

Verder lezen
Terug naar overzicht