Sign. - Bemiddeling zonder vergunning (III)


Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte een te ruime interpretatie van het begrip "bemiddelen" hanteert. Volgens appellante moet sprake zijn van een intentie om een overeenkomst tot stand te brengen en daar is in haar geval – het enkel verkopen van leads – geen sprake van. Het College is van oordeel dat sprake is geweest van "bemiddelen" in de zin van art. 1:1 Wft. De activiteiten van appellante behelsden immers het als lead doorsturen van niet alleen de NaWgegevens van de consumenten, maar ook van (onder andere) het jaarinkomen, de executiewaarde van het onderpand en een eventuele codering bij het BKR. al deze gegevens zijn relevant voor het afsluiten van een hypothecaire lening. Niet staande kan worden gehouden dat het in dit geval gaat om het uitsluitend doorverwijzen of aanbrengen, maar dat deze activiteiten waren gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst en derhalve vallen onder de definitie van bemiddelen in de zin van art. 1:1 Wft. Wat betreft de openbaarmaking overweegt het College dat uit de tekst van art. 1:98 Wft voortvloeit dat pas een besluit kan worden genomen om tot openbaarmaking op grond van dat artikel over te gaan nadat de boete rechtens onaantastbaar is geworden. Die uitleg sluit aan bij de afweging die bij het nemen van een dergelijk besluit moet worden gemaakt inzake de uitzondering op de verplichting de boete op grond van art. 1:98 Wft openbaar te maken. Die afweging moet immers naar zijn aard plaatsvinden op basis van de relevante feiten en omstandigheden op het moment dat de boete openbaar wordt gemaakt; in het geval…

Verder lezen
Terug naar overzicht