Sign. - Beroep op Vormerkung faalt


De overeenkomst tussen franken en gedaagde is op 2 juni 2004 gesloten. De overeenkomst tussen franken en eiseres is op 16 juni 2010 gesloten. gelet op het in art. 7:3 BW bepaalde gaat de overeenkomst tussen franken en eiseres door de inschrijving op 22 juni 2010 in de daartoe bestemde openbare registers vóór het – niet ingeschreven – recht op levering van gedaagde, tenzij eiseres op het tijdstip van inschrijving op de hoogte was van de koopovereenkomst tussen franken en gedaagde. Eiseres wist aanvankelijk van de eerdere overeenkomst met gedaagde en moet op de hoogte zijn geweest van het feit dat gedaagde behoorlijk had geïnvesteerd in het verkochte perceel en beroep had ingesteld tegen het exploitatieplan. Zij heeft daarom niet zonder meer kunnen uitgaan van een mededeling van franken dat hij vrij was om (opnieuw) een koopovereenkomst te sluiten met betrekking tot hetzelfde perceel. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat eiseres zelf ook onderzoek heeft gedaan althans behoorde te doen en dat zij aldus op het moment van inschrijving van de Vormerkung op de hoogte moet zijn geweest van de door gedaagde gepretendeerde rechten op levering door bijvoorbeeld raadpleging van het (gewijzigde) bestemmingsplan en het notariskantoor dat vanaf het begin betrokken was bij het project. Er doet vooralsnog dan ook van worden uitgegaan dat eiseres op het tijdstip waarop zij de Vormerkung bewerkstelligde, op de hoogte was althans behoorde te zijn van de overeenkomst tussen franken en gedaagde. gelet op het derde lid van art. 7:3 BW kan eiseres door die wetenschap de Vormerkung niet met succes aan gedaagde tegenwerpen. (Vrzngr. Rb. Zutphen 15 november 2010, LJN BQ0546, «JOR» …

Verder lezen
Terug naar overzicht